Mandje
Magnolia sieboldii is een struik of kleine boom tot 5 m hoog (2,5 m na 10 jaar). De jonge twijgen van deze Magnolia zijn paarsachtig, later grijsbruin, (vrijwel) onbehaard. De grote en fraaie, geurende, witte, knikkende, komvormige bloemen met de opvallende karmijnrode meeldraden verschijnen net na de bladontwikkeling.
Ze worden aangeplant als sierboom en voor medicinale doeleinden. Uit de schors wordt, net als bij Magnolia officinalis een medicinaal extract gewonnen dat in Chinese geneeskunde wordt gebruikt. De schors bevat polyphenolen, waarvan de farmaceutische werking wordt onderzocht.
In 1908 werd deze Magnoliasoort in Europa ingevoerd door E.H. Wilson, waar hij goed bestand bleek tegen ons klimaat. Vanwege de fraaie bloeiwijze en de opvallende zaden (in een vrucht die bestaat uit een aantal kokervormige deelvruchten) wordt hij veel in botanische collecties aangeplant. In het najaar springen de vruchtdozen open en worden de oranje zaden zichtbaar. In de geslachtsnaam Magnolia wordt de Franse hoogleraar en botanicus P. Magnol (1638-1715) geëerd.
Benamingen:
Latijns: Magnolia sieboldii ssp sinensis
Nederlands: Grootbladige Magnolia
Engels: Oyama magnolia
Zaaimethode:
.
Zaai- / planttijd:
Oogsttijd:
Grondtype:
Kweeklocatie:
Standplaats: